FAQ

FAQ

Als toezichthouder op de naleving van de WWFT acht het Bureau Financieel Toezicht het opportuun algemene informatie te verstrekken ten aanzien van (veel voorkomende) vragen die spelen in de praktijk bij de toepassing van de WWFT door instellingen die onder toezicht staan van het BFT. In dit verband merkt het BFT op dat aan de antwoorden op deze (veel gestelde) vragen in een specifiek geval geen rechten kunnen worden ontleend. Wijzigende omstandigheden kunnen tot een andere beantwoording leiden. In het onderstaande overzicht zijn veel gestelde vragen aan het BFT  opgenomen. Staat uw vraag niet in het overzicht, dan kunt u via het vragenformulier uw vraag insturen.
  1. Wat is het doel van de WWFT en op welke instellingen (beroepsgroepen) is deze wet van toepassing?  
  2. Op welke beroepsgroepen houdt het BFT toezicht?   
  3. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013?  
  4. Is de WWFT van toepassing op alle vormen van dienstverlening?
  5. Hoe moet het cliëntenonderzoek plaatsvinden bij personenvennootschapen (VOF, maatschappen e.d.)?
  6. Welke documenten mag ik gebruiken voor verificatie?
  7. Ben ik verplicht om datum en paraaf op het ID-bewijs van mijn cliënt te zetten?
  8. Wiens identiteit moet worden vastgesteld bij vertegenwoordiging?
  9. Kan gebruik gemaakt worden van identificatie verricht door een andere beroepsbeoefenaar of een derde? 
  10. Welke gegevens dienen bij een cliëntenonderzoek te worden vastgelegd en bewaard?  
  11. Dien ik het identiteitsbewijs van mijn cliënten ‘up to date’ houden?
  12. Wat wordt bedoeld met een ‘PEP’ of ‘PPP’ en welke ‘redelijke inspanning’ wordt van mij verwacht?  
  13. Wat moet ik doen wanneer ik geen of onvoldoende informatie krijg over de uiteindelijk belanghebbende (UBO)?
  14. Wat zijn de criteria voor het bepalen of een transactie ‘ongebruikelijk’ is?
  15. Moet ik ook een melding doen als de verschillende autoriteiten al op de hoogte zijn van de ongebruikelijke transactie?
  16. Bij wie moet ik melden en hoe gaat de meldprocedure in zijn werk?
  17. Wat zijn de sancties bij het niet naleven van de WWFT ?
  18. Mijn cliënt is zelf ook een meldingsplichtige instelling. Moet ik in het geval dat ik een ongebruikelijke transactie aantref in de administratie, zelf ook nog deze transactie melden?  
  19. Valt fiscale fraude ook onder begrip witwassen en is de meldingsplicht hierop van toepassing?
  20. Bij de afwikkeling van een nalatenschap wordt bekend dat de erflater nog over een bedrag aan zwart geld beschikte. Moet ik dit melden?  

1. Wat is het doel van de WWFT en op welke instellingen (beroepsgroepen) is deze wet van toepassing?
De WWFT heeft tot doel het witwassen van opbrengsten uit misdrijven en de financiering van terrorisme tegen te gaan ten einde de integriteit van het financiële en economische stelsel te waarborgen. In navolging van de Europese richtlijnen wil de wetgever dit doel bereiken door met name een adequaat en risicogericht cliëntenonderzoek en een meldingsplicht van ongebruikelijke transacties verplicht te stellen voor instellingen die vanwege hun werkzaamheden en positie in de maatschappij door criminelen misbruikt kunnen worden om te faciliteren bij witwassen en financieren van terrorisme.
De WWFT is daarom van toepassing voor o.a.:

  • financiële instellingen, zoals banken, wisselkantoren, trustkantoren, bepaalde verzekeraars en speelcasino’s;
  • vrije beroepsbeoefenaren, zoals advocaten, (kandidaat-en toegevoegd) notarissen,  belastingadviseurs, accountants,  administratiekantoren en anderen die daarmee vergelijkbare werkzaamheden vervullen;
  • makelaars, taxateurs en andere tussenpersonen in onroerende zaken.

Omhoog

2. Op welke beroepsgroepen houdt het BFT toezicht?
Het BFT is aangewezen als toezichthouder op de naleving van de WWFT door de vrije beroepsbeoefenaren. Hieronder vallen onder meer (kandidaat- en toegevoegde) notarissen, belastingadviseurs, accountants(-kantoren), administratiekantoren en juridische of financieel-economische advieskantoren. Naast het BFT zijn er nog drie toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor toezicht op naleving van de anti-witwaswetgeving met betrekking tot de andere instellingen, namelijk:
de Belastingdienst/Holland Midden/Unit MOT
– de Autoriteit Financiële Markten (AFM)
– De Nederlandsche Bank (DNB)

Omhoog

3. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de WWFT per 1-01-2013?
De belangrijkste wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013 betreffen de uitbreiding van het cliëntenonderzoek (o.a. bij personenvennootschappen, vertegenwoordigingsbevoegdheid), de uitbreiding van het transactiebegrip, de meldingsplicht bij mislukt cliëntenonderzoek, uitbreiding van de zgn. PEP verplichting. Ook zijn de WWFT plichtige diensten verruimd, zodat meer werkzaamheden van notarissen onder de WWFT vallen (o.a. levering van registergoederen, losse hypotheken, overdracht van gedeelte van ondernemingen inclusief minderheidspakketten van aandelen). Tevens bestaat er een expliciete wettelijke grondslag voor forensische accountancy werkzaamheden. Voor een overzicht van de belangrijkste wijzigingen verwijzen wij u naar het artikel WWFT wijzigingen 2013.

Omhoog

4. Is de WWFT van toepassing op alle vormen van dienstverlening?
Voor belastingadviseurs, registeraccountants, accountants-administratieconsulenten (in persoon en als kantoororganisatie) is de WWFT van toepassing voor zover zij hun beroepsactiviteiten uitoefenen. Dit geldt ook voor andere personen, rechtspersonen of vennootschappen voor zover zij zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig daarmee vergelijkbare activiteiten verrichten. Hierbij moet u ook denken aan bijvoorbeeld administratiekantoren, bedrijfseconomische adviseurs, onafhankelijke financiële planners enz.

Vanaf 1 januari 2013 zijn de werkzaamheden van forensische accountants specifiek genoemd als WWFT-plichtige diensten. Dit komt omdat er sinds de invoering van de WWFT onduidelijkheid bestond of forensische accountancy werkzaamheden als beroepsactiviteiten van de accountant kwalificeerden. Deze onduidelijkheid behoort met de wijzigingen tot het verleden.

Voor advocaten, (kandidaat-en toegevoegd) notarissen en soortgelijke zelfstandige juridische adviseurs gelden de volgende ‘aangewezen diensten’:

1) het geven van advies dan wel het verlenen van bijstand bij:

  • het aan- of verkopen van registergoederen;
  • het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of andere waarden;
  • het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen;
  • het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen dan wel overnemen van een onderneming voor zover daardoor een persoon die niet als uiteindelijk belanghebbende van die onderneming kwalificeerde, uiteindelijk belanghebbende van die onderneming wordt;
  • werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de onder 23° beschreven beroepsgroepen (in de wet abusievelijk 11 ̊ genoemd);
  • het vestigen van een recht van hypotheek op een registergoed.

2) indien en voor zover de hierboven genoemde beroepsbeoefenaren optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij enigerlei financiële transactie of onroerende zaak transactie.

De WWFT is voor belastingadviseurs, advocaten en (kandidaat-of toegevoegd-) notarissen niet van toepassing voor diensten die verband houden met de bepaling van de rechtspositie van een cliënt, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van een advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. Met deze bepaling is beoogd zeker te stellen dat op zorgvuldige wijze rekening wordt gehouden met de vertrouwenspositie van de beroepsbeoefenaar.

Omhoog

5. Hoe moet het cliëntenonderzoek plaatsvinden bij personenvennootschapen (VOF, maatschappen e.d.)?  
Artikel 3 lid 4 WWFT schrijft voor dat cliëntenonderzoek bij personenvennootschappen op dezelfde manier dient te geschieden als het uitvoeren van het cliëntenonderzoek bij rechtspersonen: de instelling dient de zeggenschapsstructuur te doorgronden, te monitoren en te achterhalen welke natuurlijke personen in belangrijke mate invloed kunnen uitoefenen.
Alle maten of vennoten dienen te worden geïdentificeerd. Op risico gebaseerde verificatie van de identiteit is beperkt tot de natuurlijke personen die:

  • bij ontbinding van de personenvennootschap recht heeft op een aandeel in de gemeenschap van meer dan 25 procent;
  • recht heeft op een aandeel in de winsten van de personenvennootschap van meer dan 25 procent;
  • bij besluitvorming ter zake van wijziging van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de personenvennootschap of ter zake van de uitvoering van die overeenkomst anders dan door daden van beheer, meer dan 25 procent van de stemmen kan uitoefenen voor zover in die overeenkomst besluitvorming bij meerderheid van stemmen is bedongen of
  • feitelijk zeggenschap kan uitoefenen over de personenvennootschap.
Daarnaast dient de instelling tevens vast te stellen of de natuurlijke persoon die de vennoten in de personenvennootschap vertegenwoordigt daartoe bevoegd is. In voorkomend geval moet de instelling deze persoon identificeren en diens identiteit verifiëren.
6. Welke documenten mag ik gebruiken voor verificatie?  
De WWFT kent een zogenaamde ‘principle based-’ of open norm-benadering en schrijft derhalve niet exact voor hoe u de identiteit van een cliënt moet verifiëren. Wel zijn in de Uitvoeringsregeling (artikel 4 Uitvoeringsregeling WWFT) een aantal documenten aangewezen die in ieder geval voldoen aan de wettelijke norm: ‘uit betrouwbare en onafhankelijke bron’.
Voor natuurlijke personen geldt dat de identiteit kan worden vastgesteld met behulp van:
  • een geldig paspoort,
  • een geldig Nederlands rijbewijs of EU/EER-rijbewijs voorzien van een pasfoto en naam van de houder,
  • een geldige identiteitskaart afgegeven in Nederland of door het daartoe bevoegde gezag in een andere EU/EER-lidstaat en voorzien is van een pasfoto en naam van de houder.

In voorkomende gevallen kan de identiteit worden geverifieerd aan de hand van een geldig verblijfs- en/of reisdocument.

Voor in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersonen geldt dat hun identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van een (online) uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel of een akte of verklaring, opgemaakt onderscheidenlijk afgegeven door een in Nederland of in een andere EU/EER-lidstaat gevestigde advocaat, notaris of kandidaat-notaris of een hiermee vergelijkbare onafhankelijke beoefenaar van een juridisch beroep. Een online uittreksel is voldoende mits de aanvraag door de instelling is gedaan.

Indien de cliënt een buitenlandse privaatrechtelijke rechtspersoon is die niet in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit vastgesteld op basis van betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron of op basis van documenten, gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor identificatie zijn erkend in de staat van herkomst. Identificatie en verificatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden met behulp van een gewaarmerkt uittreksel uit het officiële handelsregister van de staat waar zich de statutaire zetel van die rechtspersoon bevindt. Een alternatief is dat de identiteit wordt vastgesteld met behulp van een verklaring, afgegeven door een notaris of door een andere van de rechtspersoon onafhankelijke functionaris uit die staat, die de betrouwbaarheid van deze verklaring op grond van zijn functie voldoende kan waarborgen. In de praktijk betekent dit dat gebruik kan worden gemaakt van een ‘legal opinion’ van een buitenlandse (onafhankelijke) advocaat of notaris. Ook kan onder omstandigheden gebruik worden van gemaakt van internationale databases.

Omhoog

7. Ben ik verplicht om datum en paraaf op het ID-bewijs van mijn cliënt te zetten? 
Volgens artikel 4 lid 1 WWFT dient een instelling het cliëntenonderzoek te verrichten vóórdat een zakelijke relatie wordt aangegaan. Uitzondering op deze hoofdregel is dat alleen indien dit noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en indien er weinig risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat, op een later tijdstip de identiteit mag worden geverifieerd.

Aangezien u van iedere cliënt/natuurlijk persoon naast de persoonsgegevens tevens de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd moet vastleggen en bewaren, is het praktisch om een kopie van het ID-bewijs van de cliënt te maken en hierop aan te tekenen wanneer en door wie verificatie is verricht. U kunt evenwel ook op andere wijze aannemelijk trachten te maken dat u voorafgaand aan de dienstverlening heeft geïdentificeerd en geverifieerd. Het door de cliënt op laten sturen van een kopie van een ID-bewijs is niet voldoende.

Omhoog

8. Wiens identiteit moet worden vastgesteld bij vertegenwoordiging?
De instelling dient op grond van artikel 3 lid 2 letter f WWFT op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om te verifiëren of de cliënt ten behoeve van zichzelf optreedt dan wel ten behoeve van een derde. De instelling dient na te gaan of de natuurlijke persoon die zich presenteert als cliënt feitelijk advies wenst voor zichzelf dan wel ten behoeve van de derde. Aanleiding voor de introductie van deze verplichting is de praktijk van het inzetten van zogenaamde stromannen, die handelen op eigen naam maar ten behoeve van derden.

In de meeste gevallen zal de natuurlijke persoon optreden namens een rechtspersoon. Van de natuurlijke persoon die namens een ander  optreedt, dient de vertegenwoordigingsbevoegdheid te worden vastgesteld. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer een natuurlijke persoon optreedt als bestuurder van een rechtspersoon. Indien een natuurlijke persoon optreedt namens een rechtspersoon zonder dat hij hiertoe formeel extern civielrechtelijk vertegenwoordigingsbevoegd is (en niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel), kan (globaal gesproken) afgegaan worden op  de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. De instelling dient de rechtspersoon te identificeren en te verifiëren en de gegevens van de vertegenwoordiger voor het cliëntenonderzoek vast te leggen (artikel 33 WWFT).

Indien een instelling zijn cliënt introduceert bij een andere instelling, mag die andere instelling het cliëntenonderzoek onder voorwaarden overnemen (artikel 5 WWFT).

Omhoog

9. Kan gebruik gemaakt worden van identificatie verricht door een andere beroepsbeoefenaar of een derde? 
Op grond van artikel 10 van de WWFT is het toegestaan dat het cliëntenonderzoek wordt uitbesteed aan een derde, voor zover het gaat om identificatie/verificatie, vaststellen UBO en vaststellen doel en aard van de zakelijke relatie. Dit brengt met zich mee dat de derde, die voor deze taak gevraagd wordt, zorgvuldig moet worden gekozen. De instelling die gebruik maakt van deze wijze van cliëntenonderzoek blijft verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van deze wettelijke bepalingen, waaronder het op toegankelijke wijze bewaren van gegevens. De derde moet worden verzocht de identificatie en verificatie in opdracht van de dienstverlenende instelling volgens de regels van de WWFT te verrichten, derhalve in persoon en aan de hand van een origineel en geldig identificatiedocument, alsmede bij voorkeur te verklaren door wie en op welke datum de identificatie heeft plaatsgevonden en tenslotte deze verklaring met een kopie van het identificatiedocument op te sturen naar de dienstverlenende instelling. Let op: de instelling die gebruik maakt van de identiteitsvaststelling door de derde, blijft zelf verplicht te voldoen aan de overige verplichtingen van artikel 3 inzake het cliëntenonderzoek.

Wanneer uitbesteding een structureel karakter heeft, dient een dergelijke opdracht schriftelijk vastgelegd te worden.

Omhoog

10. Welke gegevens dienen bij een cliëntenonderzoek te worden vastgelegd en bewaard?  
De WWFT kent een zogenaamde ‘principle based’ of open norm- benadering en schrijft   niet  gedetailleerd voor hoe u de identiteit van een cliënt dient te verifiëren. Wel zijn in de Uitvoeringsregeling (artikel 4 Uitvoeringsregeling WWFT) een aantal documenten aangewezen die in ieder geval voldoen aan de wettelijke norm: ‘uit betrouwbare en onafhankelijke bron’.

Voor natuurlijke personen geldt dat de identiteit kan worden vastgesteld met behulp van een geldig paspoort, een geldig Nederlands rijbewijs of EU/EER-rijbewijs voorzien van een pasfoto en naam van de houder, een geldige identiteitskaart afgegeven in Nederland of door het daartoe bevoegde gezag in een andere EU/EER-lidstaat en voorzien is van een pasfoto en naam van de houder. In voorkomende gevallen kan de identiteit worden geverifieerd aan de hand van een geldig verblijfs- en/of reisdocument.

Voor in Nederland gevestigde privaatrechtelijke rechtspersonen geldt dat hun identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van een (online) uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel of een akte of verklaring, opgemaakt onderscheidenlijk afgegeven door een in Nederland of in een andere EU/EER-lidstaat gevestigde advocaat, notaris of kandidaat-notaris of een hiermee vergelijkbare onafhankelijke beoefenaar van een juridisch beroep. Niet langer is een gewaarmerkt uittreksel van de Kamer van Koophandel noodzakelijk. Een online uittreksel volstaat nu ook, mits de aanvraag door de instelling is gedaan.

Indien de cliënt een buitenlandse privaatrechtelijke rechtspersoon is die niet in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit vastgesteld op basis van betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke documenten, gegevens of inlichtingen of op basis van documenten, gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor identificatie zijn erkend in de staat van herkomst. Identificatie en verificatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden met behulp van een gewaarmerkt uittreksel uit het officiële handelsregister van de staat waar zich de statutaire zetel van die rechtspersoon bevindt. Een alternatief is dat de identiteit wordt vastgesteld met behulp van een verklaring, afgegeven door een notaris of door een andere van de rechtspersoon onafhankelijke functionaris uit die staat, die de betrouwbaarheid van deze verklaring op grond van zijn functie voldoende kan waarborgen. In de praktijk betekent dit dat gebruik kan worden gemaakt van een ‘legal opinion’ van een buitenlandse (onafhankelijke) advocaat of notaris. Ook kan onder omstandigheden gebruik worden van gemaakt van internationale databases.

Omhoog

11. Dien ik het identiteitsbewijs van mijn cliënten ‘up to date’ te houden?  
In het kader van het cliëntenonderzoek dient u de cliënt te hebben geïdentificeerd en zijn identiteit te hebben geverifieerd aan de hand van een (op dat moment) geldig identiteitsbewijs voorafgaand aan de dienstverlening. Wanneer na verificatie en de aanvang van de dienstverlening de geldigheid van het identiteitsbewijs is verlopen, hoeft u niet opnieuw de identiteit van uw cliënt te verifiëren.

Wel schrijft de WWFT voor dat een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties dient plaats te vinden.

Door de risicogeoriënteerde benadering die de basis vormt in de WWFT wordt aan de instelling overgelaten hoe genoemde voortdurende controle inhoud te geven. Het is raadzaam deze monitoring met een risico-oriëntatie in het kantoorbeleid op te nemen en de organisatie daarop in te richten. De verplichting om de gegevens van de cliënt actueel te houden betekent niet dat u (afschriften van) documenten moet vervangen.

Omhoog

12. Wat wordt bedoeld met een ‘PEP’ of ‘PPP’ en welke ‘redelijke inspanning’ wordt van mij verwacht?  
Met ingang van 1 augustus 2008 geldt een verscherpt cliëntenonderzoek wanneer u te maken krijgt met een  buitenlandse politiek prominent persoon ‘PPP’ (ook wel Politically Exposed Person of kortweg ‘PEP’). De aandacht voor deze specifieke groep houdt verband met het gevaar voor corruptie en verduistering van overheidsgelden. De personen die onder de WWFT als PEP worden beschouwd zijn:

  1. staatshoofden, regeringsleiders, ministers, staatssecretarissen en parlementsleden.
  2. leden van hooggerechtshoven, constitutionele hoven en andere gerechtelijke instanties die arresten wijzen in laatste instantie, leden van rekenkamers en directies van centrale banken.
  3. ambassadeurs, zaakgelastigden, hoge legerofficieren en leden van bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van overheidsbedrijven;
    (NB: Ambtenaren uit het middenkader alsmede lagere ambtenaren vallen niet onder het begrip PEP).
  4. directe familieleden van PEP’s. Dit zijn de echtgenoot, een partner die naar het nationale recht als gelijkwaardig met een echtgenoot wordt aangemerkt, de kinderen en hun echtgenoten of partners en de ouders van de PEP. De herkenning van familieleden kan soms op evidente gronden gemakkelijk zijn, bijvoorbeeld door het overeenkomen van namen.
  5. de naaste geassocieerden van een PEP. Dit zijn de personen die met of ten behoeve van PEP’s de uiteindelijk belanghebbende van een rechtspersoon zijn.

Met inachtneming van de risicogevoeligheid van de betreffende PEP is een persoon die een jaar of langer geen politiek prominente functie meer bekleedt niet meer aan te merken als PEP.

Wat in een concreet geval een ’redelijke inspanning‘ is, zal in het licht van de beschikbare middelen en het al dan niet evidente karakter van de status van de cliënt moeten worden beoordeeld. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Voor de vraag of er conform de wettelijke verplichtingen is gehandeld, is de kwaliteit van het ontwikkelde beleid met betrekking tot PEP’s en de uitvoering daarvan, van belang. Er is een aantal methoden die kunnen worden gebruikt om de status van politiek prominente personen te achterhalen. Zo zijn er (voor grote kantoren) internationale lijsten beschikbaar van politiek prominente personen. Ook enig onderzoek op internet kan uitkomst bieden. In veel gevallen zal echter de informatie die de cliënt verstrekt, in antwoord op vragen die doorgaans worden gesteld voorafgaand aan het vestigen van een zakelijke relatie, een indicatie moeten geven. Uw kantoor moet in ieder geval over een procedure beschikken om een PEP te kunnen herkennen. Het verscherpte cliëntenonderzoek is ook verplicht voor in Nederland woonachtige (buitenlandse) PEP’s). De instelling zal, zowel bij een in het buitenland woonachtige PEP als bij een in Nederland woonachtige PEP, te allen tijde bedacht moeten zijn op het (hogere) risico van reputatieschade.

Per 1 januari 2013 is de PEP verplichting uitgebreid tot alle buitenlandse PEP’s, onafhankelijk van de vraag of de PEP in Nederland woonachtig is. Tevens dient u niet alleen na te gaan of de cliënt een PEP is, maar tevens of de UBO als PEP kwalificeert.

Omhoog

13. Wat moet ik doen wanneer ik geen of onvoldoende informatie krijg over de uiteindelijk belanghebbende (UBO)?  
Indien de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende in een hoog risico situatie niet kan worden vastgesteld, dient u geen zakelijke relatie aan te gaan of een gevraagde transactie niet uit te voeren (artikel 5 lid 1 en lid 2 WWFT). Indien daartoe aanleiding bestaat meldt u een ongebruikelijke transactie bij de Financiële inlichtingen Eenheid (FIU-Nederland).

Indien u reeds een zakelijke relatie met de cliënt heeft, dient u de desbetreffende relatie te beëindigen en de mogelijk noodzakelijke maatregelen te treffen. Voor (kandidaat-) en toegevoegd  notarissen lijkt dit in strijd te komen met de ministerieplicht. In de nota naar aanleiding van het verslag is daarover het volgende opgemerkt: “Deze bepaling kan volgens de KNB strijdigheid opleveren met de ministerieplicht van artikel 21 Wna in geval de notaris de identiteit van de UBO niet kent. Onzes inziens dient de notaris in dergelijke gevallen de van hem verlangde dienst niet uit te voeren. Het verifiëren van de identiteit van de UBO vindt door de notaris plaats op basis van de risico georiënteerde benadering. Bij een laag risico is de inspanning ten aanzien van de verificatie beperkt; bij een hoog risico wordt er meer verwacht ten aanzien van de verificatie. Indien de notaris er überhaupt niet in slaagt om de identiteit van de UBO te verifiëren, bestaat er onzes inziens goede redenen voor de notaris om zijn diensten te weigeren. Immers bepaalt artikel 21 Wna dat de notaris verplicht zijn dienst moet weigeren indien naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, indien zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of indien hij andere gegronde redenen voor dienstweigering heeft”.

De notaris zal afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden, moeten oordelen hoe te handelen. In geval er geen of onvoldoende informatie over de UBO bekend is en de instelling besluit tot (verdere) verlening van diensten, zullen aanvullende andersoortige maatregelen te worden getroffen teneinde de bij het risico passende risico-mitigerende maatregelen gelijkwaardig te laten zijn aan het geval dat er wel voldoende informatie beschikbaar is.

Omhoog

14. Wat zijn de criteria voor het bepalen of een transactie ‘ongebruikelijk’ is?  
Een transactie wordt op grond van artikel 15 WWFT als ongebruikelijk aangemerkt op basis van indicatoren vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur (Uitvoeringsbesluit WWFT). In artikel 4 Uitvoeringsbesluit WWFT zijn in een bijlage indicatoren opgenomen.
De indicatoren voor het melden van een ongebruikelijke transactie zijn voor de vrije beroepsbeoefenaren bij de wetswijziging van 1 januari 2013 niet veranderd. Wel is in artikel 16 lid 4 WWFT de meldingsplicht van overeenkomstige toepassing verklaard als (i) het cliëntenonderzoek niet tot het gewenste resultaat leidt, of (ii) zakelijke relatie wordt beëindigd ingevolge artikel 5 lid 2 en er indicaties zijn dat de cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme.

Voor de definitie van een ongebruikelijke transactie wordt (voor ‘vrije beroepsbeoefenaren’) aangesloten bij twee objectieve indicatoren en een subjectieve indicator.
Objectieve indicatoren
De eerste objectieve indicator houdt in dat transacties in verband met witwassen die aan politie en justitie zijn gemeld, ook aan de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dienen te worden doorgegeven. FIU-Nederland is de nieuwe naam van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties in Zoetermeer. Op grond van de tweede objectieve indicator dienen transacties van € 15.000 of meer betaald aan of door tussenkomst van de vrije beroepsbeoefenaar in contanten of cheques aan toonder te worden gemeld. Dit betreft zowel contante ontvangsten en/of uitbetalingen door de vrije beroepsbeoefenaar. Ook de situatie dat een vrije beroepsbeoefenaar de contanten niet accepteert maar zijn cliënt begeleidt of verwijst naar de bank om daar het geld op zijn rekening te storten, valt onder de objectieve indicator. Het is immers een transactie door tussenkomst van de vrije beroepsbeoefenaar. Het Gerechtshof Amsterdam heeft in een tweetal hoger beroepszaken bepaald dat het contant storten van gelden door de cliënt op de rekening van een notaris) ook onder de meldingsplicht valt, ongeacht of de instelling actieve betrokkenheid bij deze transactie heeft gehad. Zie Hof Amsterdam 1 november 2007, LJN BB8704 en Hof Amsterdam 21 augustus 2008, LJN BE 9100.
Alle transacties die voldoen aan de objectieve indicatoren dienen gemeld te worden, zonder dat ruimte is voor nadere beoordeling door de instelling/vrije beroepsbeoefenaar. Dit ligt anders bij de subjectieve indicatoren. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden zal door de instelling moeten worden beoordeeld of er aanleiding is te veronderstellen dat de transacties verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.
Subjectieve indicator
De subjectieve indicator betreft transacties waarbij naar het subjectieve oordeel van de vrije beroepsbeoefenaar aanleiding is te veronderstellen dat deze transacties verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme. Het Ministerie van Financiën heeft in 2003 een brochure opgesteld met een aantal algemene richtlijnen (‘guidelines’) die als hulpmiddel kunnen dienen voor het beoordelen of er sprake is van een ongebruikelijke transactie (bijvoorbeeld ongebruikelijke transactie met betrekking tot bepaalde landen, legitimatie van cliënt, financiële verkeer, juridische entiteiten/structuren etc.). Daarnaast zijn er specifieke richtlijnen voor de beroepsgroepen opgesteld. Deze brochure is door het BFT in april 2011 geactualiseerd, met nieuwe voorbeelden voor de subjectieve indicator. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar de Bijlage. De voorkeur van de cliënt voor betalingen onder de € 15.000 in contanten, waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat cliënt daarmee een melding wil voorkomen (het zogenaamde ‘smurfen’) valt eveneens onder de algemene subjectieve indicator.
Het enkele feit dat de FIOD een inval doet bij een cliënt van de instelling, betekent niet dat er automatisch sprake is van een ongebruikelijke transactie. Wel dient dit als reflectiemoment voor de instelling om te beoordelen of de cliënt (mogelijk) betrokken is (geweest) bij witwassen of financieren van terrorisme.
15. Moet ik ook een melding doen als de verschillende autoriteiten al op de hoogte zijn van de ongebruikelijke transactie? 
Ja. Het komt voor dat een ongebruikelijke transactie al bekend is bij de fiscus of opsporingsinstanties. Niettemin zal u toch een melding moeten doen. Door uw melding, indien dit tijdig en volledig is verricht, kunt u een beroep doen op de vrijwaringsbepalingen voor eventuele civielrechtelijke of strafrechtelijke gevolgen. Daarnaast is het zo dat uw melding aan de FIU-Nederland een ander doel heeft, namelijk het eventueel opstarten van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen of financieren van terrorisme en het verbeteren van de informatiepositie van de opsporing.
16. Bij wie moet ik melden en hoe gaat de meldprocedure in zijn werk? 
Ongebruikelijke transacties dienen te worden gemeld bij de Financiële inlichtingen Eenheid (voorheen FIU-Nederland) in Zoetermeer. Alvorens een melding te kunnen doen, dient de instelling eerst geregistreerd te worden bij het Meldpunt. De meldprocedure staat toegelicht op de website van FIU-Nederland (www.fiu-nederland.nl) onder “melden”.
Wanneer sprake is van een (voorgenomen) ongebruikelijke transactie dient deze zo spoedig mogelijk na het kenbaar worden van het ongebruikelijke karakter gemeld te worden bij de FIU-NL. Dit geldt zowel voor de subjectieve indicator als voor de objectieve indicator. Als niet onverwijld wordt gemeld, is in principe niet voldaan aan de verplichting van artikel 16 lid 1 WWFT. Het niet (tijdig) melden is strafbaar (zie vraag 17: wat zijn de sancties bij niet naleven van de WWFT). Het verdient daarom aanbeveling in het dossier alle beschikbare informatie vast te leggen en een interne meldingsprocedure op te stellen. Op deze manier kan (ook achteraf) beter worden beoordeeld of de betrokken beroepsbeoefenaar zijn zorgplicht om ongebruikelijke transacties te melden op de juiste wijze heeft ingevuld.
De volgende gegevens dienen te worden vastgelegd (artikel 16 lid 2 WWFT):
  • identiteit van de cliënt en, voor zover mogelijk, de identiteit van degene ten behoeve van wie de transactie wordt uitgevoerd;
  • aard en het nummer van het identiteitsbewijs van cliënt;
  • aard, tijdstip en de plaats van de transactie;
  • de omvang, aard, bestemming en herkomst van gelden, effecten, edele metalen of andere waarden die bij de transactie betrokken zijn;
  • de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt;
  • een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde bij een transactie boven de € 15.000.

De gegevens dienen gedurende vijf jaren na het doen van de melding bewaard te blijven.

Het is aan te bevelen om met name de omstandigheden op grond waarvan u vindt dat sprake is van een ongebruikelijke transactie zo ruim mogelijk te beschrijven. Niet alleen vergroot dit de mogelijkheden voor de opsporingsinstanties om een onderzoek te starten op basis van de melding maar u voorkomt ook dat het FIU-Nederland o.g.v. artikel 17 WWFT aanvullende vragen aan u gaat stellen vanwege een te summiere of onduidelijke toelichting.

U mag op grond van artikel 23 WWFT niet aan de cliënt mededelen dat een melding zal worden of is gedaan. Dit wordt ook wel het “tipping off” verbod genoemd.

Omhoog

17. Wat zijn de sancties bij het niet naleven van de WWFT ? 
Het BFT voert toezichtonderzoeken uit om te beoordelen of de WWFT op de juiste wijze wordt nageleefd. Met betrekking tot het cliëntenonderzoek gaat het hierbij in het bijzonder om de beoordeling van opzet en bestaan van risicobeleid, opgestelde risicoprofielen, cliëntenacceptatie-procedures, dossieropbouw, interne controlemaatregelen, opleidingen en trainingen aan het personeel en het treffen van maatregelen in de betalingsorganisatie. De organisatie van een instelling moet dusdanig op peil zijn dat een instelling in staat is om cliëntenonderzoek te verrichten en dat medewerkers in staat zijn een ongebruikelijke transactie te herkennen en te melden aan FIU-Nederland. Daarnaast is het toezicht er op gericht dat de instellingen ook daadwerkelijk cliëntenonderzoeken uitvoeren en in voorkomende gevallen melding doen van ongebruikelijke transacties.

Bij het constateren van onvoldoende naleving van de wettelijke bepalingen kan het BFT bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk optreden. Het BFT heeft de bevoegdheid om een bestuurlijke boete tot maximaal 1 miljoen euro (in geval van recidive geldt het dubbele) en of een last onder dwangsom op te leggen.

Indien een instelling niet voldoet aan haar verplichtingen ingevolge artikel 16 of 17, tweede lid, kan het BFT door middel van het geven van een aanwijzing de instelling verplichten binnen een door hem gestelde termijn een bepaalde gedragslijn te volgen aangaande:

  • de ontwikkeling van interne procedures en controles ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme; en
  • de opleiding van werknemers als bedoeld in artikel 35.

In ernstige gevallen kan het BFT aangifte doen bij de officier van Justitie, die vervolgens een strafrechtelijk onderzoek kan instellen. Het niet naleven van de WWFT kwalificeert als een economisch delict waarop, voor zover zij opzettelijk is begaan, een gevangenisstraf staat van maximaal twee jaar, een taakstraf of een geldboete van de 4e categorie (€ 19.500). Hierbij kunnen ook nog bijkomende straffen worden opgelegd, waaronder het geheel of gedeeltelijk stilleggen van de onderneming van de veroordeelde, waarmee het economisch delict is begaan, voor een tijd van ten hoogste één jaar.

De bevoegdheden van het BFT zijn geregeld in hoofdstuk 4 van de WWFT (art. 24 en verder) en hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (artikelen 5:11 tot en met 5:20).

Omhoog

18. Mijn cliënt is zelf ook een meldingsplichtige instelling. Moet ik in het geval dat ik een ongebruikelijke transactie aantref in de administratie, zelf ook nog deze transactie melden?
Indien uw cliënt zelf ook een meldingsplichtige instelling is (bijvoorbeeld een autohandelaar of een juwelier), zult u moeten nagaan of uw cliënt reeds op grond van zijn/haar meldingsplicht de ongebruikelijke transactie(s) heeft gemeld. Indien dit reeds is gebeurd dan adviseren wij u een kopie van deze melding(en) en van de ontvangstbevestiging van de melding in uw dossier te bewaren. Indien er geen melding door uw cliënt is gedaan, zult u uw cliënt – in zijn algemeenheid – moeten informeren over het bestaan van een meldingsplicht. Als u aanwijzingen heeft dat uw cliënt (in casu de autohandelaar of juwelier) zich (bewust) niet houdt aan de meldingsplicht, dan zult u zelf over de autohandelaar of juwelier een melding moeten doen. Immers het opzettelijk niet doen van een melding kan een subjectieve indicator vormen die aanleiding geeft te veronderstellen dat mogelijk sprake is van witwassen (of financiering van terrorisme).

Let op: vanaf 1 augustus 2008 geldt voor iedere handelaar die beroeps- of bedrijfsmatig goederen contant verkoopt voor € 15.000 of meer een verplichting tot cliëntenonderzoek en een eventuele melding van een ongebruikelijke transactie met betrekking tot die contante transactie.  Zie brochure Belastingdienst/Bureau Toezicht WWFT, handleiding voor verkopers van goederen.

Omhoog

19. Valt fiscale fraude ook onder begrip witwassen en is de meldingsplicht hierop van toepassing?
De Hoge Raad heeft op 7 oktober 2008 een arrest gewezen (LJN: BD2774) dat fiscale fraude kwalificeert als witwassen. Het bedrag aan ontdoken belasting, ook al is sprake van niet aangegeven legale inkomsten en/of vermogen, is op grond van dit arrest derhalve “uit enig misdrijf afkomstig.” Nu het enkel voorhanden hebben van een dergelijk voorwerp als witwassen kwalificeert, zal bij het vermoeden van belastingfraude sprake zijn van “de veronderstelling dat (een transactie/situatie) verband kan houden met witwassen” en moet er derhalve gemeld worden. De Accountantskamer heeft in zijn uitspraak van 8 februari 2013 een klacht van het BFT tegen twee accountants gegrond verklaard. De betrokken accountants hadden nagelaten een melding van een ongebruikelijke transactie te doen van het feit dat hun cliënt (mogelijk) betrokken was bij fiscale fraude (www.tuchtrecht.nl, LJN YH 0342).

Voor alle duidelijkheid: u hoeft niet zelf vast te stellen dat er sprake is van witwassen in strafrechtelijke zin; voldoende voor de meldingsplicht is dat er sprake is van een aanleiding om te veronderstellen dat sprake kan zijn van witwassen. Bovendien kan in voorkomende gevallen waarin legaal verdiend geld via buitenlandse bankrekeningen wordt weggesluisd mogelijk ook sprake zijn van financieren van terrorisme en moet om die reden melding plaatsvinden.

Omhoog

20. Bij de afwikkeling van een nalatenschap wordt bekend dat de erflater nog over een bedrag aan zwart geld beschikte. Moet ik dit melden? 
Indien u beroepshalve (bijvoorbeeld als belastingadviseur of notaris) betrokken bent bij de aangifte erfbelasting bent u vrijgesteld voor het verrichten van het cliëntenonderzoek op basis van artikel 2, letter b Uitvoeringsregeling WWFT. De meldingsplicht blijft echter onverminderd van kracht. Als u in dit kader kennisneemt van een ongebruikelijke transactie zoals een onbekend niet gefiscaliseerd groot bedrag aan contant geld of geld op een buitenlandse rekening, dan dient u dit te melden mits er een aanmerkelijke kans is dat het geld niet afkomstig is uit legale bron. (Hof Amsterdam d.d. 4 april 2003 LJN AF6887).

Omhoog