Stand van zaken Voorstel Aanscherping WWFT

Stand van zaken Voorstel Aanscherping WWFT

Nieuwsbericht 17 juli 2017

De nieuwe, vierde anti-witwasrichtlijn leidt tot aanscherpingen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) die ook voor personen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten gevolgen zal hebben. Dit zijn ook de instellingen onder WWFT-toezicht van het BFT.

De nieuwe WWFT heeft de oorspronkelijke ingangsdatum van 26 juni 2017 niet gehaald. Het verslag van de openbare internetconsultatie van het ontwerpvoorstel Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn is inmiddels wel gepubliceerd.

De verwachting is dat het conceptwetsvoorstel, na advies van de Raad van State, op korte termijn wordt ingediend bij de Tweede Kamer.

Hierna alvast enige belangrijke toekomstige wijzigingen voor de instellingen onder toezicht van het BFT.

Kantoorspecifieke risicobeoordeling en opleidingen
Zowel grote als kleine instellingen worden in het kader van risicomanagement verplicht tot het opstellen van een risicobeoordeling en het instellen van de compliancefunctie. Deze, voor kleinere instellingen deels nieuwe, verplichtingen zullen leiden tot maatregelen die in verhouding moeten staan tot de aard en omvang van de instelling (proportionaliteit).

De WWFT schrijft nu al een risicogebaseerde aanpak van kantoororganisatie en bedrijfsvoering voor. Alle instellingen zijn in de toekomst verplicht om een beoordeling van de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme op te stellen, vast te leggen en actueel te houden. Bij de beoordeling van de risico’s moet de instelling onder meer rekening houden met haar cliënten, de landen en geografische regio’s waar de instelling werkzaam is en (mogelijkheden tot misbruik van) haar dienstverlening. De nieuwe bepalingen aangaande risicobeoordeling hebben een dwingender karakter dan de actueel geldende normen: de instellingen worden verplicht de identificatie en beoordeling van hun risico’s op witwassen en financieren van terrorisme vast te leggen, actueel te houden en op verzoek aan de toezichthouder te verstrekken. De instelling dient de risicobeoordeling ten grondslag te leggen aan de ontwikkeling van haar beleid, bestaande uit procedures en maatregelen, om de geïdentificeerde kantoorrisico’s te beperken en effectief te beheren. Naast de uitvoering van het cliëntenonderzoek en het monitoren van transacties, kan hierbij gedacht worden aan de ontwikkeling van opleidingen voor medewerkers en aanvullende beheersmaatregelen.

De instelling is al verplicht te voorzien in relevante opleidingen voor haar werknemers, zodat zij in staat zijn een ongebruikelijke transactie te herkennen en een cliëntenonderzoek goed en volledig te kunnen uitvoeren. Volledigheidshalve wordt hier de in aankomende wijziging van de WWFT aan toegevoegd dat deze opleidingen dienen te zijn afgestemd op de risico’s, aard en omvang van de instelling. Hiermee wordt bewerkstelligd dat werknemers over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om de vereisten van de WWFT te kunnen naleven, specifiek zoals deze van toepassing zijn op de instelling waarvoor zij werkzaam zijn.

De risicobeoordeling kan er ook toe leiden dat een instelling tot de conclusie komt dat onvoldoende beheersmaatregelen mogelijk zijn en dat daarom bepaalde risico’s in het geheel moeten worden vermeden.

Naast bovengenoemde kantoorspecifieke risicobeoordeling is een andere verplichting voor personen die handelen in het kader van hun beroepsactiviteiten dat de compliancefunctie wordt ingericht, afhankelijk van de aard en omvang van een instelling.

(Verscherpt) Cliëntenonderzoek
De aan te passen WWFT leidt tot scherpere maatregelen voor cliëntenonderzoek. Er zijn minder mogelijkheden voor het toepassen van het vereenvoudigd cliëntenonderzoek. Nog meer dan voorheen wordt uitgegaan van een risicogebaseerde benadering bij de uitvoering van het (verscherpt) cliëntenonderzoek. Het cliëntenonderzoek kan in gevallen van laag risico niet meer achterwege worden gelaten, zoals nu nog onder bepaalde omstandigheden mogelijk is.

Aan het kader van een verscherpt cliëntenonderzoek wordt toegevoegd de verplichting om onderzoek te verrichten naar alle complexe en uitzonderlijk grote transacties en uitzonderlijke transactiepatronen, die geen duidelijk economisch of rechtmatig doel hebben. In het geval van een dergelijke transactie dient de gehele zakelijke relatie met een cliënt door de instelling aan een verscherpte controle te worden onderworpen. Ook dient een verscherpt cliëntenonderzoek plaats te vinden indien de cliënt woonachtig of gevestigd is in een staat die door de Europese Commissie is aangewezen als een ‘hoog risico’-staat.

In het kader van het verscherpt cliëntenonderzoek komt de verplichting voor instellingen terug om door middel van ‘passende risicobeheersystemen’ te bepalen of een cliënt of uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Politiek Prominente Persoon (PEP) is en om, in het geval van een PEP, verscherpte maatregelen te treffen.

Bij twijfel aan de betrouwbaarheid (juistheid of volledigheid) van eerder verkregen gegevens van of over de cliënt moet (hernieuwd) cliëntenonderzoek worden verricht met het resultaat dat de gegevens waarheidsgetrouw en toereikend zijn.

PEP en UBO
De definitie van Politiek Prominente Persoon (PEP) wordt uitgebreid. Van de instellingen wordt verlangd dat zij rekening blijven houden met het risico van een PEP ook nadat die zijn politieke functie heeft neergelegd.
Ook in de definitie van de uiteindelijk belanghebbenden (‘ultimate beneficial owners’ ofwel UBO) zijn veranderingen aangebracht ten opzichte van de huidige WWFT. Naast een aanscherping vindt ook een uitbreiding plaats van het UBO-begrip zoals, onder bepaalde omstandigheden, het hoger leidinggevend personeel. Verder wordt verduidelijkt dat een instelling met betrekking tot een UBO op opvraagbare wijze vastlegt wat de aard en omvang is van het door deze persoon gehouden uiteindelijk belang. Het is immers niet alleen relevant om te weten wie deze persoon is, maar ook om te weten waarom hij kwalificeert als UBO.

Zie ook hierna over de introductie van een ultimate beneficial owner (UBO)-register.

UBO-register
De vierde anti-witwasrichtlijn verplicht lidstaten om een centraal register voor uiteindelijk belanghebbenden (UBO-register) in te richten. Dit register gaat transparant maken wie de uiteindelijk belanghebbende achter een onderneming of rechtspersoon is. Het UBO-register wordt via een apart wetsvoorstel ‘Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden’ ingevoerd.

Overig
De wijzigingen in de WWFT zijn zodanig dat de hele wettekst opnieuw wordt gerubriceerd. Internationale samenwerking wordt uitgebreid. Ook wijzigen de bevoegdheden van de toezichthouders om handhavend op te treden bij overtredingen van de WWFT.
Voor meer informatie zie: Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn.