Loading...
Wwft2019-10-02T10:38:31+01:00

Wwft

Op deze pagina:

Werkwijze Toezicht

Het BFT is aangewezen  als één van de toezichthouders op de naleving van de bepalingen ingevolge de anti-witwasregelgeving in Nederland: de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Het BFT is belast met het toezicht op (kandidaat-) notarissen en toegevoegd notarissen, belastingadviseurs, registeraccountants, accountants-administratieconsulenten, dan wel degene die anderszins zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig daarmee vergelijkbare activiteiten verricht, zoals administratiekantoren, belastingadviseurs en bedrijfseconomische adviseurs.

Het toezicht van het BFT is gebaseerd op een tweesporenbeleid:

Samenwerken met ondertoezichtstaanden & ketenpartners
Kennis delen
• Toezichtarrangementen
• Samenwerking ketenpartners

Uitvoeren van onderzoeken
het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel
• het bevorderen van de informatiepositie van de opsporingsinstanties.

Overleg met belanghebbenden
Om efficiënt toezicht uit te oefenen wordt er regelmatig overleg gevoerd met het ministerie van Justitie en Veiligheid, het ministerie van Financiën en verschillende representatieve beroepsorganisaties van hen die onder toezicht zijn gesteld. Het BFT voert daarnaast overleg met  andere toezichthouders (AFM, DNB, Belastingdienst/Bureau Toezicht Wwft, Kansspelautoriteit, en de deken van de Nederlandse orde van advocaten) om zoveel mogelijk overeenstemming te bereiken voor wat betreft de interpretatie van de wet en regelgeving en de uitvoering van het toezicht.

Het doel van het overleg met de beroepsorganisaties is om te komen tot toezichtarrangementen. Een toezichtarrangement is een samenhangend geheel van processen, procedures en afspraken, gericht op het vaststellen van de naleving van de wet- en regelgeving waarop het toezicht betrekking heeft. Daartoe behoren onder meer afspraken over procedures en protocollen en de inrichting van administraties en dossiers. Op dit moment zijn toezichtarrangementen afgesloten met de het Register Belastingadviseurs (RB) en de SRA. Het BFT voert zelfstandig toezichtonderzoeken uit om te beoordelen of de Wwft op de juiste wijze worden nageleefd.

Aandachtspunten zijn hierbij de opzet en bestaan van risicobeleid, opgestelde risicoprofielen per cliënt, cliëntacceptatie-procedures (inclusief identificatie en verificatie van de uiteindelijk belanghebbende (UBO “Ultimate Beneficial Owner”) en politiek prominent persoon (PEP), dossieropbouw, interne controlemaatregelen, opleidingen en trainingen aan het personeel en het treffen van maatregelen in de betalingsorganisatie.

Aan de hand van door het BFT geselecteerde cliëntendossiers beoordeelt het BFT of identificatie en de verificatie van diens identiteit van de cliënt, UBO’s en/of PEP’s zijn uitgevoerd. Daarnaast is het toezichtonderzoek er op gericht dat de instellingen in voorkomende gevallen melding doen van ongebruikelijke transacties.

Bevoegdheden BFT en wettelijk kader
De bevoegdheden van het BFT zijn geregeld in hoofdstuk 4 van de Wwft (artikel 24 en verder) en de Algemene wet bestuursrecht (Titel 5.2. Toezicht op de naleving). Ten behoeve van het Wwft toezicht op notarissen is een uitzondering op de geheimhoudingsplicht opgenomen. Dit betekent dat (kandidaat of toegevoegd) notarissen zich jegens het BFT niet op hun geheimhoudingsplicht kunnen beroepen.

Wet- en regelgeving

Voor het uitoefenen van het toezicht is het nodig dat het toetsingskader helder is. Het BFT is toezichthouder. De normen voor het toetsingskader worden met name bepaald door de wet- en regelgevers en de tuchtrechter.

De Wwft is naast de algemene verplichtingen gebaseerd op twee belangrijke pijlers, namelijk: het cliëntenonderzoek en de meldingsplicht. Het begrip cliëntenonderzoek is ruimer dan het louter identificeren van de cliënt. Het gaat met name om:

  • Verificatie van de identiteitsgegevens van de cliënt;
  • Indien van toepassing, identificatie en verificatie van de uiteindelijk belanghebbende;
  • In kaart brengen van  de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt;
  • Vastlegging van risicobeleid, risicoprofielen, cliëntenacceptatie;
  • Personeel moet op de hoogte zijn van wet- en regelgeving en inzicht verwerven in het herkennen van ongebruikelijke transacties;
  • (Voortdurende) monitoring van de zakelijke relatie gericht op het risicoprofiel van de cliënt en in voorkomend geval onderzoek naar de bron van het vermogen.

Het cliëntenonderzoek moet worden afgestemd op het risico dat een bepaalde cliënt, zakelijke relatie, product of transactie met zich meebrengt. Dit betekent in de praktijk meer aandacht voor situaties waarbij sprake is van een hoger risico op witwassen en/of terrorismefinanciering. In zogenaamde laag risico situaties – cliënt is bijvoorbeeld een beursgenoteerde onderneming of een 100% dochtermaatschappij daarvan – kan een vereenvoudigd cliëntenonderzoek plaatsvinden. In situaties die een hoog/hoger risico vormen, zoals bijvoorbeeld een PEP-cliënt of wanneer een cliënt fysiek niet aanwezig is voor identificatie, is verscherpt cliëntenonderzoek verplicht.

Van belang is verder dat onder het regime van de Wwft de onder toezicht gestelde instelling verplicht is tot het ontwikkelen van interne procedures en controles zorg te dragen voor een adequate opleiding voor haar werknemers.

Hier vindt u een verwijzing naar de verschillende Wet- en regelgeving, de Wwft, ministeriële regelingen en tuchtrechtjurisprudentie.

► Wwft
► Uitvoeringsbesluit Wwft 2018
► Bijlage: Indicatorenlijst
Uitvoeringsregeling Wwft
► Besluit bestuurlijke boetes financiële sector

PDF Vierde Europese anti-witwasrichtlijn (EU 2015/849)

PDFAlgemene leidraad Wwft en SW (Ministerie van Financiën, januari 2014)

PDF Prominente publieke functies  (Uitwerking van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2019)

Sanctielijsten
Nederlandse sanctielijst
EU Consolidated Financial Sanction List

Links

 FIU-Nederland
FATF
Tuchtrecht
Rechtspraak

Handhaving

Bij het constateren van onvoldoende naleving van de wettelijke bepalingen en overtreding hiervan kan het BFT dwingend aanwijzingen geven tot het volgen van een bepaalde gedragslijn met betrekking tot het ontwikkelen van procedures en controles alsmede opleidingen. Ook bestaat de mogelijkheid voor bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke sanctionering. Het BFT heeft de bevoegdheid om een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom op te leggen.

In ernstige gevallen kan het BFT aangifte doen bij de officier van justitie, die vervolgens een strafrechtelijk onderzoek kan instellen. Het niet naleven van de Wwft kwalificeert als een economisch delict waarop, voor zover zij opzettelijk is begaan, een gevangenisstraf staat van maximaal twee jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie (€ 20.500). Hierbij kunnen ook nog bijkomende straffen worden opgelegd, waaronder het geheel of gedeeltelijk stilleggen van de onderneming van de veroordeelde, waarmee het economisch delict is begaan, voor een tijd van ten hoogste één jaar.

Intern beleid voor het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete
De wet geeft grenzen en richting bij het vaststellen van de hoogte van een boete. Per overtreding zijn in de wet basisbedragen opgenomen voor een boete.

Het BFT heeft de bevoegdheid om deze basisbedragen te matigen. Voor de invulling van deze matigingsbevoegdheid heeft het BFT sinds juni 2016 een intern boetebeleid ontwikkeld. In december 2017 is besloten om dit document, dat voor intern gebruik is opgesteld, te publiceren op de website.

Voor onderzoeken die na 1 april 2018 door het BFT zijn gestart geldt als minimaal bedrag voor een boete € 1.000.

Boetebeleid

Veelgestelde vragen

Als toezichthouder op de naleving van de Wwft acht het BFT het opportuun algemene informatie te verstrekken ten aanzien van (veel voorkomende) vragen die spelen in de praktijk bij de toepassing van de Wwft door instellingen die onder toezicht staan van het BFT. In dit verband merkt het BFT op dat aan de antwoorden op deze (veel gestelde) vragen in een specifiek geval geen rechten kunnen worden ontleend. Wijzigende omstandigheden kunnen tot een andere beantwoording leiden. In het onderstaande overzicht zijn veel gestelde vragen aan het BFT  opgenomen. Staat uw vraag niet in het overzicht, dan kunt u via het contactformulier uw vraag insturen.

Wat zijn PEP’s ?2018-08-24T11:07:54+01:00

Onder PEP’s (politically-exposed person) worden personen verstaan, die een prominente politieke functie bekleden of hebben bekleed en de directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen. Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse politiek prominente personen: ook binnenlandse politiek prominente personen vallen nu onder dit begrip.

Een PEP is in elk geval (zie ook artikel 2 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018):

  1. staatshoofd, regeringsleider, minister, onderminister of staatssecretaris
  2. parlementslid of lid van een soortgelijk wetgevend orgaan
  3. lid van het bestuur van een politieke partij
  4. lid van een hooggerechtshof, constitutioneel hof of van een andere hoge rechterlijke instantie die arresten wijst waartegen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, geen beroep openstaat
  5. lid van een rekenkamer of van een raad van bestuur van een centrale bank
  6. ambassadeur, zaakgelastigde of hoge officier van de strijdkrachten
  7. lid van het leidinggevend lichaam, toezichthoudend lichaam of bestuurslichaam van een staatsbedrijf
  8. bestuurder, plaatsvervangend bestuurder, lid van de raad van bestuur of bekleder van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie.

In het geval dat de cliënt of de UBO een PEP is, dienen verscherpte cliënt-onderzoeksmaatregelen te worden getroffen, zoals passende maatregelen om de bron van het vermogen en van de middelen vast te stellen en toestemming van het hoger leidinggevend personeel voor het aangaan of voortzetten van deze zakelijke relatie of het verrichten van deze transactie.

Gemeenteraadsleden en wethouders zijn geen PEP’s.

Wat of wie is een UBO?2018-08-24T11:01:38+01:00

Onder uiteindelijk belanghebbende (UBO) wordt verstaan elke natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of uiteindelijke zeggenschap heeft over een cliënt, dan wel de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. In artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt voor de diverse rechtsvormen een nadere uitwerking gegeven van de definitie van UBO.

Een natuurlijk persoon kan UBO zijn door middel van het direct of indirect houden van meer dan 25% van de aandelen, van de stemrechten of van het eigendomsbelang. In beginsel dient voor elke rechtspersoon of personenvennootschap een UBO te worden vastgesteld.

In bepaalde specifieke gevallen kan een persoon of de personen behorend tot het hoger leidinggevend personeel worden genoteerd als UBO(s) (de ‘Pseudo-UBO’). Bijvoorbeeld als er op grond van aandelen, stemrecht of eigendom geen UBO te achterhalen is. Het aanwijzen van het hoger leidinggevend personeel is een uiterste terugvaloptie en kan alleen na uitputting van alle mogelijke middelen om de UBO te achterhalen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, dan wel als er enige twijfel bestaat of de UBO inderdaad de uiteindelijke eigenaar is of zeggenschap heeft.

Voor de toepassing van het begrip moet onder ‘hoger leidinggevend personeel’ het statutair bestuur van de cliënt worden verstaan.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de Wwft sinds 25 juli 2018?2018-08-24T10:35:08+01:00

De aanscherpingen in de Wwft hebben gevolgen voor alle instellingen die onder deze wet vallen. Zo is het verplicht om een beoordeling van risico’s op witwassen en financieren van terrorisme op te stellen (artikel 2b Wwft).

Ook op het gebied van cliëntenonderzoek zijn er veranderingen. Een vereenvoudigd cliëntenonderzoek volstaat alleen nadat een laag risico is vastgesteld (artikel 6, eerste lid Wwft). Bij een verscherpt cliëntenonderzoek neemt een instelling redelijke maatregelen om alle complexe en ongebruikelijk grote transacties en alle ongebruikelijke transactiepatronen die geen duidelijk economisch of rechtmatig doel hebben te onderzoeken en onderwerpt de gehele zakelijke relatie met de cliënt in dat geval aan een verscherpte controle (artikel 8, derde lid Wwft).

Verder is de definitie van de ultimate beneficial owners (UBO’s) aangepast (artikel 1 Wwft juncto artikel 3 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018) en wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse politically-exposed persons (PEP’s) (artikel 1 Wwft juncto artikel 2 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018).

Tot slot is de inrichting van een compliance- en auditfunctie verplicht, wanneer dit evenredig is aan de aard en omvang van de onderneming (artikel 2d, tweede en vierde lid Wwft). Een toelichting op de belangrijkste wijzigingen vindt u hier.

Op welk moment moet een instelling een cliëntenonderzoek uitvoeren?2018-08-24T10:57:30+01:00

De identificatie, verificatie en vaststelling van de uiteindelijk belanghebbende moet plaatsvinden voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een transactie wordt uitgevoerd (artikel 4, eerste lid Wwft).

Een instelling kan ervoor kan kiezen om de identificatie van de cliënt of UBO tijdens het aangaan van de zakelijke relatie te voltooien om de normale zakelijke dienstverlening niet onnodig te verstoren. Voorwaarden hiervan zijn dat dit alleen mag in situaties met een laag risico en dat de identificatie zo snel mogelijk na het eerste contact wordt voltooid.

Anders dan voorheen het geval was zijn in de huidige Wwft geen specifieke typen cliënten aangewezen waarbij met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan worden volstaan. Een instelling zal steeds van geval tot geval voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of transactie moeten beoordelen of sprake is van een laag risico (artikel 6 Wwft). Wanneer sprake is van een bewezen laag risico kan volstaan worden met vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Hierbij moet een instelling in ieder geval rekening houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in ► bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn . In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven of levensverzekeringspolissen met een lage premie.

Wat houdt de compliance- en auditfunctie in?2018-08-24T11:15:38+01:00
Artikel 2d Wwft verplicht instellingen om te voorzien in de invulling van een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie en onafhankelijke auditfunctie, voor zover dit evenredig is aan de aard en de omvang van de instelling. Bij ‘aard en omvang’ gaat het om een combinatie van factoren, dus niet alleen de grootte van de instelling naar aantal medewerkers, maar ook bijvoorbeeld naar de aard van de werkzaamheden. De criteria hiervoor zal het BFT bekend maken bij het verschijnen van de specifieke leidraad naleving Wwft (ultimo september 2018).
Wanneer is een transactie ongebruikelijk?2018-08-24T11:23:39+01:00

Een ongebruikelijke transactie dient aan de FIU-Nederland gemeld te worden als deze voldoet aan één van de indicatoren zoals vermeld in de Bijlage Indicatorenlijst van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.

Voor belastingadviseurs, accountants, notarissen en administratiekantoren gelden kort gezegd een drietal indicatoren:

  1. De beroepsbeoefenaar ontvangt voor zijn dienstverlening aan zijn cliënt €10.000 of meer in contanten of soortgelijke betaling (verplichte melding)
  2. De beroepsbeoefenaar neemt in het kader van zijn beroepsactiviteiten kennis van een transactie waarbij een (rechts)persoon betrokken is die woonachtig of gevestigd is in een land die door de EU-commissie is aangewezen als een land met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme (verplichte melding)
  3. De beroepsbeoefenaar neemt in het kader van zijn beroepsactiviteiten kennis van een transactie die aanleiding geeft te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme (melding afhankelijk van feiten en omstandigheden)
    Als hulpmiddel voor het vaststellen of een transactie ongebruikelijk is vindt u op onze website de brochure “Voorbeelden bij de subjectieve indicator voor het melden van ongebruikelijke transacties”. Voor verdere informatie over het melden van ongebruikelijke transacties verwijzen wij u naar de website van de ► FIU Nederland.
Welke documenten en gegevens moeten worden vastgelegd bij het cliëntenonderzoek?2018-08-24T11:12:59+01:00

Per categorie moeten de ondergenoemde documenten en gegevens op opvraagbare wijze worden vastgelegd, zoals bedoeld in artikel 33 eerste lid, Wwft.

Natuurlijke personen, niet zijnde uiteindelijk belanghebbenden

  • de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het adres en de woonplaats, dan wel de plaats van vestiging van de cliënt alsmede van degene die namens die natuurlijke persoon optreedt, of een afschrift van het document dat een persoons identificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de verificatie van de identiteit heeft plaatsgevonden
  • de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd.

Natuurlijke personen, zijnde uiteindelijk belanghebbenden

  • de identiteit, waaronder ten minste de geslachtsnaam en voornamen van de uiteindelijk belanghebbende
  • de gegevens en documenten die zijn vergaard op basis van de redelijke maatregelen die zijn genomen om de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te verifiëren.

Vennootschappen of andere juridische entiteiten

  • de rechtsvorm, de statutaire naam, de handelsnaam, het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van vestiging en het land van statutaire zetel
  • het registratienummer bij de Kamer van Koophandel en de wijze waarop de identiteit is geverifieerd, wanneer de vennootschap of andere juridische entiteit bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd.

Trusts of andere juridische constructies

  • het doel en de aard van de trust of andere juridische constructie
  • het recht waardoor de trust of andere juridische constructie wordt beheerst.
Moet ik rekening houden met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bij het vastleggen en bewaren van cliëntgegevens volgens de Wwft?2018-08-24T10:32:56+01:00

De in de Wwft genoemde instellingen zijn (en blijven) verplicht om cliëntenonderzoek te doen en gehouden cliëntgegevens vast te leggen. Dit kan bijvoorbeeld middels het maken van een kopie van een identiteitsbewijs maar kan ook op andere wijze . Omdat sprake is van een wettelijke verplichting voor de instelling is geen sprake van strijd met de AVG.

Op grond van de Wwft dienen deze gegevens 5 jaar te worden bewaard. Hetzelfde geldt voor gegevens met betrekking tot ongebruikelijke transacties. In artikel 34a Wwft zijn nadere bepalingen opgenomen over gegevensbescherming.

Welke vormen van het cliëntenonderzoek kent de Wwft?2018-08-24T10:53:07+01:00

Het vereenvoudigd cliëntenonderzoek.
Bij het vereenvoudigd cliëntenonderzoek is er sprake van cliënten bij wie een laag risico bestaat op witwassen en financieren van terrorisme. Hierbij dient een instelling in ieder geval rekening te houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in ► bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn . In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven, beursgenoteerde bedrijven of landen met een lager risico (EU lidstaten).

Het ‘standaard’ cliëntenonderzoek
Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

  • de cliënt te identificeren
  • diens identiteit te verifiëren
  • de uiteindelijke belanghebbende te identificeren en diens identiteit te verifiëren
  • doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
  • de zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, eventueel onderzoek naar de bron van de middelen die bij de relatie of de transactie gebruikt worden
  • vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren.

Het verscherpt cliëntenonderzoek.
Een verscherpt cliëntenonderzoek dient te worden verricht indien een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico vertegenwoordigt. De wetgever heeft in artikel 8 Wwft de volgende gevallen benoemd waarin altijd sprake is van een hoger risico:

  • Het betreft een zakelijke relatie of transactie met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.
  • De cliënt – of de UBO van de cliënt – is woonachtig of gevestigd, dan wel heeft zijn zetel, in een staat die door de ► Europese Commissie is aangewezen als een hoog risico-staat . Sanctielijst van 13 landen pagina 1
  • De cliënt – of de UBO van de cliënt – is een politically-exposed person (PEP). Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse PEP’s: ook binnenlandse PEP’s vallen nu onder dit begrip.

Een instelling dient in ieder geval rekening te houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in bijlage III van de vierde anti-witwasrichtlijn. In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar cliëntgebonden risicofactoren, product, dienst, transactie of leveringskanaal gebonden risicofactoren of geografische risicofactoren. Een instelling neemt verder redelijke maatregelen om alle complexe en ongebruikelijk grote transacties en alle ongebruikelijke transactiepatronen die geen duidelijk economisch of rechtmatig doel hebben te onderzoeken en onderwerpt de gehele zakelijke relatie met de cliënt in dat geval aan een verscherpte controle.

Wat houdt de opleidingsverplichting in?2018-08-24T11:18:09+01:00

Een onderneming moet op grond van artikel 35 Wwft ervoor zorgen dat haar medewerkers en dagelijks beleidsbepalers, voor zover relevant voor de uitoefening van hun taken, bekend zijn met de bepalingen van de Wwft en in staat zijn een ongebruikelijke transactie te herkennen. Opleidingen dienen op periodieke basis te worden gevolgd. Bij de opleidingen kan de instelling rekening houden met de risico’s, aard en omvang van de instelling.

Welke landen staan op de actuele lijst hoog risico landen van de Europese Commissie (objectieve landenindicator)?2019-03-27T15:33:17+01:00

De landen die op de actuele lijst hoog risico landen van de Europese Commissie (objectieve landenindicator) staan, vindt u door middel van deze link ► actuele lijst hoog risico landen.

Signaal afgeven

Indien u bezwaren heeft over het handelen van Wwft-plichtigen kunt u zich het beste wenden tot deze beroepsbeoefenaar. Sommige beroepsbeoefenaren zijn aangesloten bij beroepsorganisaties waar u met uw klacht terecht kunt.

Meer informatie:

NOAB: Tuchtcollege voor klachten
NOB: Tuchtcollege voor klachten
NBA: Accountantskamer

Afgeven signaal
Het BFT kan u niet helpen met uw individuele bezwaar. Daartoe bieden bovenstaande instanties diverse mogelijkheden. Bij BFT kunt u alleen een signaal afgeven over het functioneren van een Wwft-plichtige die valt onder het toezicht van het BFT. Het BFT kan uw signaal gebruiken in zijn toezicht.

Signaal afgeven: ► Contactformulier.