Loading...
Wwft2020-10-15T10:47:23+02:00

Wwft

Op deze pagina:

Werkwijze Toezicht

Het BFT is aangewezen  als één van de toezichthouders op de naleving van de bepalingen ingevolge de anti-witwasregelgeving in Nederland: de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Het BFT is belast met het toezicht op (kandidaat-) notarissen en toegevoegd notarissen, belastingadviseurs, registeraccountants, accountants-administratieconsulenten, dan wel degene die anderszins zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig daarmee vergelijkbare activiteiten verricht, zoals administratiekantoren, belastingadviseurs en bedrijfseconomische adviseurs.

Het toezicht van het BFT is gebaseerd op een tweesporenbeleid:

Samenwerken met ondertoezichtstaanden & ketenpartners
Kennis delen
• Toezichtarrangementen
• Samenwerking ketenpartners

Uitvoeren van onderzoeken
het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel
• het bevorderen van de informatiepositie van de opsporingsinstanties.

Overleg met belanghebbenden
Om efficiënt toezicht uit te oefenen wordt er regelmatig overleg gevoerd met het ministerie van Justitie en Veiligheid, het ministerie van Financiën en verschillende representatieve beroepsorganisaties van hen die onder toezicht zijn gesteld. Het BFT voert daarnaast overleg met  andere toezichthouders (AFM, DNB, Belastingdienst/Bureau Toezicht Wwft, Kansspelautoriteit, en de deken van de Nederlandse orde van advocaten) om zoveel mogelijk overeenstemming te bereiken voor wat betreft de interpretatie van de wet en regelgeving en de uitvoering van het toezicht.

Het doel van het overleg met de beroepsorganisaties is om te komen tot toezichtarrangementen. Een toezichtarrangement is een samenhangend geheel van processen, procedures en afspraken, gericht op het vaststellen van de naleving van de wet- en regelgeving waarop het toezicht betrekking heeft. Daartoe behoren onder meer afspraken over procedures en protocollen en de inrichting van administraties en dossiers. Op dit moment zijn toezichtarrangementen afgesloten met de het Register Belastingadviseurs (RB) en de SRA. Het BFT voert zelfstandig toezichtonderzoeken uit om te beoordelen of de Wwft op de juiste wijze worden nageleefd.

Aandachtspunten zijn hierbij de opzet en bestaan van risicobeleid, opgestelde risicoprofielen per cliënt, cliëntacceptatie-procedures (inclusief identificatie en verificatie van de uiteindelijk belanghebbende (UBO “Ultimate Beneficial Owner”) en politiek prominent persoon (PEP), dossieropbouw, interne controlemaatregelen, opleidingen en trainingen aan het personeel en het treffen van maatregelen in de betalingsorganisatie.

Aan de hand van door het BFT geselecteerde cliëntendossiers beoordeelt het BFT of identificatie en de verificatie van diens identiteit van de cliënt, UBO’s en/of PEP’s zijn uitgevoerd. Daarnaast is het toezichtonderzoek er op gericht dat de instellingen in voorkomende gevallen melding doen van ongebruikelijke transacties.

Bevoegdheden BFT en wettelijk kader
De bevoegdheden van het BFT zijn geregeld in hoofdstuk 4 van de Wwft (artikel 24 en verder) en de Algemene wet bestuursrecht (Titel 5.2. Toezicht op de naleving). Ten behoeve van het Wwft toezicht op notarissen is een uitzondering op de geheimhoudingsplicht opgenomen. Dit betekent dat (kandidaat of toegevoegd) notarissen zich jegens het BFT niet op hun geheimhoudingsplicht kunnen beroepen.

Wet- en regelgeving

Voor het uitoefenen van het toezicht is het nodig dat het toetsingskader helder is. Het BFT is toezichthouder. De normen voor het toetsingskader worden met name bepaald door de wet- en regelgevers en de tuchtrechter.

De Wwft is naast de algemene verplichtingen gebaseerd op twee belangrijke pijlers, namelijk: het cliëntenonderzoek en de meldingsplicht. Het begrip cliëntenonderzoek is ruimer dan het louter identificeren van de cliënt. Het gaat met name om:

  • Verificatie van de identiteitsgegevens van de cliënt;
  • Indien van toepassing, identificatie en verificatie van de uiteindelijk belanghebbende;
  • In kaart brengen van  de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt;
  • Vastlegging van risicobeleid, risicoprofielen, cliëntenacceptatie;
  • Personeel moet op de hoogte zijn van wet- en regelgeving en inzicht verwerven in het herkennen van ongebruikelijke transacties;
  • (Voortdurende) monitoring van de zakelijke relatie gericht op het risicoprofiel van de cliënt en in voorkomend geval onderzoek naar de bron van het vermogen.

Het cliëntenonderzoek moet worden afgestemd op het risico dat een bepaalde cliënt, zakelijke relatie, product of transactie met zich meebrengt. Dit betekent in de praktijk meer aandacht voor situaties waarbij sprake is van een hoger risico op witwassen en/of terrorismefinanciering. In zogenaamde laag risico situaties – cliënt is bijvoorbeeld een beursgenoteerde onderneming of een 100% dochtermaatschappij daarvan – kan een vereenvoudigd cliëntenonderzoek plaatsvinden. In situaties die een hoog/hoger risico vormen, zoals bijvoorbeeld een PEP-cliënt of wanneer een cliënt fysiek niet aanwezig is voor identificatie, is verscherpt cliëntenonderzoek verplicht.

Van belang is verder dat onder het regime van de Wwft de onder toezicht gestelde instelling verplicht is tot het ontwikkelen van interne procedures en controles zorg te dragen voor een adequate opleiding voor haar werknemers.

Hier vindt u een verwijzing naar de verschillende Wet- en regelgeving, de Wwft, ministeriële regelingen en tuchtrechtjurisprudentie.

► Wwft
► Uitvoeringsbesluit Wwft 2018
► Bijlage: Indicatorenlijst
Uitvoeringsregeling Wwft
► Besluit bestuurlijke boetes financiële sector

PDF Vijfde Europese anti-witwasrichtlijn (EU 2018/843)

PDF Vierde Europese anti-witwasrichtlijn (EU 2015/849)

PDF Europese Commissie wijzigt derde landen met een hoog risico (Gedelegeerde Verordening 2020/855)

PDF Algemene leidraad Wwft (Ministerie van Financiën / Ministerie van Justitie & Veiligheid, juli 2020)

PDF Prominente publieke functies  (Uitwerking van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018)

PDF Witwasindicatoren (Anti Money Laundering Centre)

Sanctielijsten
Nederlandse sanctielijst
EU Consolidated Financial Sanction List

Links

 FIU-Nederland
FATF
Tuchtrecht
Rechtspraak
AMLC

Specifieke leidraden BFT

PDFSpecifieke leidraad naleving Wwft voor accountants en belastingadviseurs, administratiekantoren en alle overige instellingen genoemd in artikel 1a, lid 4, letter a en b Wwft [BFT, 24 oktober 2018]

PDF Specifieke leidraad naleving Wwft voor (kandidaat en toegevoegd) notarissen en overige instellingen genoemd in artikel 1a lid 4 letter d Wwft [BFT, 24 oktober 2018]

Bijlage I
PDFVoorbeelden Wwft bij subjectieve indicator [BFT, 24 oktober 2018]

Bijlage II
PDFHandleiding Wwft 2018 [BFT, 24 oktober 2018]

Als u geïnteresseerd bent in de niet-actuele voorgaande versies van “Specifieke leidraad naleving Wwft”, dan kunt u deze aanvragen via het e-mailadres:

wwft@bureauft.nl

Ministerie van Financiën

”PDF”Leidraad Financiële Sanctieregelgeving [Ministerie van Financiën, 12 augustus 2020]

 

FATF Guidances

PDF Guidance for a risk-based approach: Accounting Profession

PDF Guidance for a risk-based approach: Legal Professionals

Handhaving

Bij het constateren van onvoldoende naleving van de wettelijke bepalingen en overtreding hiervan kan het BFT dwingend aanwijzingen geven tot het volgen van een bepaalde gedragslijn met betrekking tot het ontwikkelen van procedures en controles alsmede opleidingen. Ook bestaat de mogelijkheid voor bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke sanctionering. Het BFT heeft de bevoegdheid om een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom op te leggen.

In ernstige gevallen kan het BFT aangifte doen bij de officier van justitie, die vervolgens een strafrechtelijk onderzoek kan instellen. Het niet naleven van de Wwft kwalificeert als een economisch delict waarop, voor zover zij opzettelijk is begaan, een gevangenisstraf staat van maximaal twee jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie (€ 20.500). Hierbij kunnen ook nog bijkomende straffen worden opgelegd, waaronder het geheel of gedeeltelijk stilleggen van de onderneming van de veroordeelde, waarmee het economisch delict is begaan, voor een tijd van ten hoogste één jaar.

Intern beleid voor het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete
De wet geeft grenzen en richting bij het vaststellen van de hoogte van een boete. Per overtreding zijn in de wet basisbedragen opgenomen voor een boete.

Het BFT heeft de bevoegdheid om deze basisbedragen te matigen. Voor de invulling van deze matigingsbevoegdheid heeft het BFT sinds juni 2016 een intern boetebeleid ontwikkeld. In december 2017 is besloten om dit document, dat voor intern gebruik is opgesteld, te publiceren op de website.

Voor onderzoeken die na 1 april 2018 door het BFT zijn gestart geldt als minimaal bedrag voor een boete € 1.000.

Boetebeleid

Veelgestelde vragen

Als toezichthouder op de naleving van de Wwft acht het BFT het opportuun algemene informatie te verstrekken ten aanzien van (veel voorkomende) vragen die spelen in de praktijk bij de toepassing van de Wwft door instellingen die onder toezicht staan van het BFT. In dit verband merkt het BFT op dat aan de antwoorden op deze (veel gestelde) vragen in een specifiek geval geen rechten kunnen worden ontleend. Wijzigende omstandigheden kunnen tot een andere beantwoording leiden. In het onderstaande overzicht zijn veel gestelde vragen aan het BFT  opgenomen. Staat uw vraag niet in het overzicht, dan kunt u via het contactformulier uw vraag insturen.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de Wwft in 2020?2020-10-01T12:08:57+02:00

Identificatie en verificatie ‘Pseudo-UBO’

Een instelling dient noodzakelijke redelijke maatregelen te nemen om de identiteit van een UBO te verifiëren. Met ingang van 21 mei 2020 is deze bepaling ook van toepassing indien de UBO in kwestie lid is van het hoger leidinggevend personeel (de ‘Pseudo-UBO’) (artikel 3, lid 2, sub b Wwft). Genomen maatregelen (en de eventueel ondervonden moeilijkheden) tijdens het verificatieproces dienen te worden vastgelegd door de instelling.

Complexe en ongebruikelijke transacties

In de wet is verduidelijkt welke transacties nader onderzocht dienen te worden. Wanneer sprake is van:

  • een complexe transactie;
  • een ongebruikelijk grote transactie;
  • een transactie met een ongebruikelijk patroon; of
  • een transactie zonder duidelijk economisch of rechtmatig doel,

dan dient een instelling naast de achtergrond en het doel van de transactie zelf een verscherpt cliëntenonderzoek uit te voeren (artikel 8, lid 3 Wwft). Of een transactie in een of meerdere van deze categorieën valt is mede afhankelijk van het opgestelde risicoprofiel van een cliënt.

Verscherpte onderzoeksmaatregelen hoog-risico-landen

Een instelling dient verscherpte onderzoeksmaatregelen te verrichten indien er sprake is van transacties en/of zakelijke relaties die gerelateerd zijn aan staten met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme (‘hoog-risico-landen’). Zie tevens dit bericht inzake de gewijzigde tabel van hoog-risico-landen met ingang van 1 oktober 2020. In de wet is tevens opgenomen welke verscherpte onderzoeksmaatregelen vereist zijn (artikel 9, lid 1 Wwft):

  • a) het verzamelen van aanvullende informatie over cliënten en uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s);
  • b) het verzamelen van aanvullende informatie met betrekking tot het doel en de aard van de zakelijke relatie;
  • c) het verzamelen van informatie over de herkomst van de fondsen die bij de zakelijke relatie of transactie gebruikt worden en de bron van het vermogen van cliënten en uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s);
  • d) het verzamelen van informatie over de achtergrond van en beweegredenen voor de voorgenomen of verrichte transacties van cliënten;
  • e) het verkrijgen van goedkeuring van het hoger leidinggevend personeel voor het aangaan of voortzetten van de zakelijke relatie;
  • f) het verrichten van verscherpte controle op de zakelijke relatie met en de transacties van cliënten (hetgeen bestaat uit het verhogen van het aantal controles en de frequentie van actualiseringen van gegevens over cliënten en uiteindelijk belanghebbenden, alsmede door transactiepatronen te selecteren die nader onderzocht moeten worden).

Lijst prominente publieke functies

De Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid hebben een lijst samengesteld met de functies die in Nederland kwalificeren als prominente publieke functies. Deze ► lijst wordt actueel gehouden (artikel 9a Wwft).

UBO-register

Volgend op de inwerkingtreding van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten is per 27 september 2020 het openbaar UBO-register ingevoerd. Deze ontwikkeling heeft ook gevolgen voor de Wwft.

Vooruitlopend op de invoering van het UBO-register is in de Wwft (artikel 4, lid 2 Wwft) een wetsartikel opgenomen die de instelling verplicht bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie te beschikken over een bewijs van registratie van de UBO van de cliënt in het UBO-register. Dit is in aanvulling op de eigen verplichting van de instelling om de (identiteit van de) UBO te identificeren en verifiëren. Bij het uitvoeren van het cliëntenonderzoek mag een instelling zich dan ook niet uitsluitend verlaten op de informatie in het handelsregister (artikel 3, lid 15 Wwft).

Met ingang van 27 september 2020 dienen vennootschappen en andere juridische entiteiten gegevens en bescheiden in te winnen (en bij te houden) over wie hun uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) zijn. Deze gegevens en bescheiden dienen toereikend, accuraat en actueel te zijn (artikel 10b, lid 1 Wwft). Een uiteindelijk belanghebbende (UBO) verschaft de vennootschap of andere juridische entiteit alle informatie die noodzakelijk is om hier aan te voldoen (artikel 10b, lid 2 Wwft).

Het Nederlandse UBO-register maakt deel uit van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De Kamer van Koophandel heeft op haar  website antwoorden gepubliceerd op ► de belangrijkste vragen over het UBO-register en de meest gestelde vragen specifiek ten aanzien van ► Wwft-instellingen en het UBO-register.

Een instelling dient melding te doen aan de Kamer van Koophandel van iedere discrepantie die zij aantreft tussen een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende dat zij verstrekt heeft gekregen uit het handelsregister en de informatie over die uiteindelijk belanghebbende waarover zij uit anderen hoofde beschikt (de zogenaamde ‘terugmeldplicht’) (artikel 10c, lid 1 Wwft). Deze verplichting geldt niet indien een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie meldt aan de FIU-Nederland (artikel 10c, lid 3 Wwft).

Tijdens de zogenaamde ‘vulperiode’ van 18 maanden volgend op de invoering van het UBO-register hoeft op een nog niet gedane registratie in het UBO-register geen terugmelding worden gedaan. Dit is anders indien er wel gegevens geregistreerd staan: in dat laatste geval geldt de terugmeldplicht ook binnen deze periode van 18 maanden. Zie tevens pagina 28 van de ► ‘Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)’.

Wanneer mag ik volstaan met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek en waar bestaat dat uit?2020-09-28T16:05:24+02:00

Tot 25 juli 2018 gold er een vrijstelling voor het cliëntenonderzoek bij specifieke cliënten zoals particulieren met een eenvoudige IB-aangifte. Deze vrijstelling is vervallen. Daarvoor in de plaats is in de wet opgenomen dat een vereenvoudigd cliëntenonderzoek mogelijk is bij cliënten (of transacties) met (naar hun aard) een laag risico op witwassen (of financieren van terrorisme) (artikel 6, lid 1 Wwft). U zult per cliënt een inschatting moeten maken van het risico. Cliëntenonderzoek is altijd van toepassing. Identificeren en de identiteit verifiëren is derhalve noodzakelijk, doch bij een laag risico zal dit beperkt kunnen blijven tot bijvoorbeeld een kopie van een identiteitsbewijs op te vragen. Indien u een particuliere cliënt heeft waarbij u meer vraagtekens heeft omtrent de juistheid van het inkomen, of indien er anderszins aanleiding bestaat dat er mogelijk sprake is van een verhoogd risico op witwassen (dit geldt ook bij fiscale fraude) zult u verscherpt cliëntenonderzoek moeten uitvoeren.

Wat zijn PEP’s ?2018-08-24T11:07:54+02:00

Onder PEP’s (politically-exposed person) worden personen verstaan, die een prominente politieke functie bekleden of hebben bekleed en de directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen. Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse politiek prominente personen: ook binnenlandse politiek prominente personen vallen nu onder dit begrip.

Een PEP is in elk geval (zie ook artikel 2 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018):

  1. staatshoofd, regeringsleider, minister, onderminister of staatssecretaris
  2. parlementslid of lid van een soortgelijk wetgevend orgaan
  3. lid van het bestuur van een politieke partij
  4. lid van een hooggerechtshof, constitutioneel hof of van een andere hoge rechterlijke instantie die arresten wijst waartegen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, geen beroep openstaat
  5. lid van een rekenkamer of van een raad van bestuur van een centrale bank
  6. ambassadeur, zaakgelastigde of hoge officier van de strijdkrachten
  7. lid van het leidinggevend lichaam, toezichthoudend lichaam of bestuurslichaam van een staatsbedrijf
  8. bestuurder, plaatsvervangend bestuurder, lid van de raad van bestuur of bekleder van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie.

In het geval dat de cliënt of de UBO een PEP is, dienen verscherpte cliënt-onderzoeksmaatregelen te worden getroffen, zoals passende maatregelen om de bron van het vermogen en van de middelen vast te stellen en toestemming van het hoger leidinggevend personeel voor het aangaan of voortzetten van deze zakelijke relatie of het verrichten van deze transactie.

Gemeenteraadsleden en wethouders zijn geen PEP’s.

Wat of wie is een UBO?2018-08-24T11:01:38+02:00

Onder uiteindelijk belanghebbende (UBO) wordt verstaan elke natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of uiteindelijke zeggenschap heeft over een cliënt, dan wel de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. In artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt voor de diverse rechtsvormen een nadere uitwerking gegeven van de definitie van UBO.

Een natuurlijk persoon kan UBO zijn door middel van het direct of indirect houden van meer dan 25% van de aandelen, van de stemrechten of van het eigendomsbelang. In beginsel dient voor elke rechtspersoon of personenvennootschap een UBO te worden vastgesteld.

In bepaalde specifieke gevallen kan een persoon of de personen behorend tot het hoger leidinggevend personeel worden genoteerd als UBO(s) (de ‘Pseudo-UBO’). Bijvoorbeeld als er op grond van aandelen, stemrecht of eigendom geen UBO te achterhalen is. Het aanwijzen van het hoger leidinggevend personeel is een uiterste terugvaloptie en kan alleen na uitputting van alle mogelijke middelen om de UBO te achterhalen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, dan wel als er enige twijfel bestaat of de UBO inderdaad de uiteindelijke eigenaar is of zeggenschap heeft.

Voor de toepassing van het begrip moet onder ‘hoger leidinggevend personeel’ het statutair bestuur van de cliënt worden verstaan.

Op welk moment moet een instelling een cliëntenonderzoek uitvoeren?2018-08-24T10:57:30+02:00

De identificatie, verificatie en vaststelling van de uiteindelijk belanghebbende moet plaatsvinden voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een transactie wordt uitgevoerd (artikel 4, eerste lid Wwft).

Een instelling kan ervoor kan kiezen om de identificatie van de cliënt of UBO tijdens het aangaan van de zakelijke relatie te voltooien om de normale zakelijke dienstverlening niet onnodig te verstoren. Voorwaarden hiervan zijn dat dit alleen mag in situaties met een laag risico en dat de identificatie zo snel mogelijk na het eerste contact wordt voltooid.

Anders dan voorheen het geval was zijn in de huidige Wwft geen specifieke typen cliënten aangewezen waarbij met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan worden volstaan. Een instelling zal steeds van geval tot geval voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of transactie moeten beoordelen of sprake is van een laag risico (artikel 6 Wwft). Wanneer sprake is van een bewezen laag risico kan volstaan worden met vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Hierbij moet een instelling in ieder geval rekening houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in ► bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn . In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven of levensverzekeringspolissen met een lage premie.

Wat houdt de compliance- en auditfunctie in?2018-08-24T11:15:38+02:00
Artikel 2d Wwft verplicht instellingen om te voorzien in de invulling van een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie en onafhankelijke auditfunctie, voor zover dit evenredig is aan de aard en de omvang van de instelling. Bij ‘aard en omvang’ gaat het om een combinatie van factoren, dus niet alleen de grootte van de instelling naar aantal medewerkers, maar ook bijvoorbeeld naar de aard van de werkzaamheden. De criteria hiervoor zal het BFT bekend maken bij het verschijnen van de specifieke leidraad naleving Wwft (ultimo september 2018).
Wanneer is een transactie ongebruikelijk?2020-09-28T18:40:14+02:00

Een ongebruikelijke transactie dient aan de FIU-Nederland gemeld te worden als deze voldoet aan één van de indicatoren zoals vermeld in de Bijlage Indicatorenlijst van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018.

Voor belastingadviseurs, accountants, notarissen en administratiekantoren gelden kort gezegd een tweetal indicatoren:

    1. De beroepsbeoefenaar ontvangt voor zijn dienstverlening aan zijn cliënt €10.000 of meer in contanten of soortgelijke betaling (deze betaling bent u verplicht te melden);
    2. De beroepsbeoefenaar neemt in het kader van zijn beroepsactiviteiten kennis van een transactie die aanleiding geeft te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme (melding afhankelijk van feiten en omstandigheden ter beoordeling van de instelling)

Als hulpmiddel voor het vaststellen of een transactie ongebruikelijk is vindt u op onze website de brochure ► “Voorbeelden bij de subjectieve indicator voor het melden van ongebruikelijke transacties”. Voor verdere informatie over het melden van ongebruikelijke transacties verwijzen wij u naar de website van de ► FIU Nederland.

Welke documenten en gegevens moeten worden vastgelegd bij het cliëntenonderzoek?2018-08-24T11:12:59+02:00

Per categorie moeten de ondergenoemde documenten en gegevens op opvraagbare wijze worden vastgelegd, zoals bedoeld in artikel 33 eerste lid, Wwft.

Natuurlijke personen, niet zijnde uiteindelijk belanghebbenden

  • de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het adres en de woonplaats, dan wel de plaats van vestiging van de cliënt alsmede van degene die namens die natuurlijke persoon optreedt, of een afschrift van het document dat een persoons identificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de verificatie van de identiteit heeft plaatsgevonden
  • de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd.

Natuurlijke personen, zijnde uiteindelijk belanghebbenden

  • de identiteit, waaronder ten minste de geslachtsnaam en voornamen van de uiteindelijk belanghebbende
  • de gegevens en documenten die zijn vergaard op basis van de redelijke maatregelen die zijn genomen om de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te verifiëren.

Vennootschappen of andere juridische entiteiten

  • de rechtsvorm, de statutaire naam, de handelsnaam, het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van vestiging en het land van statutaire zetel
  • het registratienummer bij de Kamer van Koophandel en de wijze waarop de identiteit is geverifieerd, wanneer de vennootschap of andere juridische entiteit bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd.

Trusts of andere juridische constructies

  • het doel en de aard van de trust of andere juridische constructie
  • het recht waardoor de trust of andere juridische constructie wordt beheerst.
Moet ik rekening houden met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bij het vastleggen en bewaren van cliëntgegevens volgens de Wwft?2018-08-24T10:32:56+02:00

De in de Wwft genoemde instellingen zijn (en blijven) verplicht om cliëntenonderzoek te doen en gehouden cliëntgegevens vast te leggen. Dit kan bijvoorbeeld middels het maken van een kopie van een identiteitsbewijs maar kan ook op andere wijze . Omdat sprake is van een wettelijke verplichting voor de instelling is geen sprake van strijd met de AVG.

Op grond van de Wwft dienen deze gegevens 5 jaar te worden bewaard. Hetzelfde geldt voor gegevens met betrekking tot ongebruikelijke transacties. In artikel 34a Wwft zijn nadere bepalingen opgenomen over gegevensbescherming.

Welke vormen van het cliëntenonderzoek kent de Wwft?2018-08-24T10:53:07+02:00

Het vereenvoudigd cliëntenonderzoek.
Bij het vereenvoudigd cliëntenonderzoek is er sprake van cliënten bij wie een laag risico bestaat op witwassen en financieren van terrorisme. Hierbij dient een instelling in ieder geval rekening te houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in ► bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn . In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven, beursgenoteerde bedrijven of landen met een lager risico (EU lidstaten).

Het ‘standaard’ cliëntenonderzoek
Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

  • de cliënt te identificeren
  • diens identiteit te verifiëren
  • de uiteindelijke belanghebbende te identificeren en diens identiteit te verifiëren
  • doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
  • de zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, eventueel onderzoek naar de bron van de middelen die bij de relatie of de transactie gebruikt worden
  • vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren.

Het verscherpt cliëntenonderzoek.
Een verscherpt cliëntenonderzoek dient te worden verricht indien een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico vertegenwoordigt. De wetgever heeft in artikel 8 Wwft de volgende gevallen benoemd waarin altijd sprake is van een hoger risico:

  • Het betreft een zakelijke relatie of transactie met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.
  • De cliënt – of de UBO van de cliënt – is woonachtig of gevestigd, dan wel heeft zijn zetel, in een staat die door de ► Europese Commissie is aangewezen als een hoog risico-staat . Sanctielijst van 13 landen pagina 1
  • De cliënt – of de UBO van de cliënt – is een politically-exposed person (PEP). Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse PEP’s: ook binnenlandse PEP’s vallen nu onder dit begrip.

Een instelling dient in ieder geval rekening te houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in bijlage III van de vierde anti-witwasrichtlijn. In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar cliëntgebonden risicofactoren, product, dienst, transactie of leveringskanaal gebonden risicofactoren of geografische risicofactoren. Een instelling neemt verder redelijke maatregelen om alle complexe en ongebruikelijk grote transacties en alle ongebruikelijke transactiepatronen die geen duidelijk economisch of rechtmatig doel hebben te onderzoeken en onderwerpt de gehele zakelijke relatie met de cliënt in dat geval aan een verscherpte controle.

Wat houdt de opleidingsverplichting in?2020-09-28T16:02:19+02:00

Een instelling moet op grond van artikel 35 Wwft ervoor zorgen dat haar medewerkers en dagelijks beleidsbepalers, voor zover relevant voor de uitoefening van hun taken, bekend zijn met de bepalingen van de Wwft en in staat zijn een ongebruikelijke transactie te herkennen. Opleidingen dienen op periodieke basis te worden gevolgd. Bij de opleidingen en frequentie kan de instelling rekening houden met de risico’s, aard en omvang van de instelling.

Opleidingen of (online) cursussen worden in de praktijk aangeboden door diverse instanties of commerciële ondernemingen. U moet de gevolgde opleidingen kunnen aantonen middels een certificaat van deelname of anderszins indien de toezichthouder hier om vraagt.

Het is niet verplicht om iedereen die werkzaam is op uw kantoor op cursus te sturen. Er kan voor gekozen worden om via interne vaktechnische bijeenkomsten door een collega die een cursus Wwft heeft gevolgd de stof verder onder de medewerkers bekend te maken. Dit moet u dan wel kunnen onderbouwen.

Is de objectieve indicator derde-hoog risicolanden vervallen?2020-04-17T11:47:25+02:00

Met ingang van 18 oktober 2019 is de objectieve indicator voor het doen van een verplichte melding van een ongebruikelijke transactie, waarbij derde-hoogrisicolanden betrokken zijn, komen te vervallen.

In de praktijk bleek dat het aantal meldingen significant steeg maar dat deze indicator niet bijdroeg aan het doen van kwalitatief goede meldingen door de meldplichtige instellingen. Deze toename had tevens het ongewenste effect dat het voor de FIU-Nederland onmogelijk was om al deze meldingen geen verband houdt met witwassen of financieren van terrorisme.

Het schrappen van deze objectieve indicator betekent niet dat Wwft-instellingen geen transacties meer hoeven te melden die verband houden met derde-hoog risicolanden. Op basis van de subjectieve indicator dient wel elke transactie te worden gemeld die aanleiding geeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme.

Kan een instelling het cliëntenonderzoek uitbesteden?2020-09-08T10:32:18+02:00

Een instelling kan het cliëntenonderzoek ten dele laten verrichten door een derde (artikel 10, eerste lid Wwft). Indien deze uitbesteding een structureel karakter heeft dient de instelling de opdracht daartoe schriftelijk vast te leggen (artikel 10, tweede lid Wwft). De instelling zelf blijft eindverantwoordelijk.

De volgende onderdelen van het cliëntenonderzoek kunnen worden uitbesteed:
    • Identificatie en verificatie van de cliënt en diens identiteit;
    • Identificatie van de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt en verificatie van diens identiteit;
    • Vaststellen van het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie;
    • Vaststellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is (en in voorkomend geval de natuurlijke persoon identificeren en diens identiteit verifiëren);
    • Verifiëren of de cliënt ten behoeve van zichzelf optreedt dan wel ten behoeve van een derde.
Het uitoefenen van een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties (artikel 3, tweede lid, onderdeel d), de zogenaamde monitoringsverplichting, kan niet worden uitbesteed.

Signaal afgeven

Indien u bezwaren heeft over het handelen van Wwft-plichtigen kunt u zich het beste wenden tot deze beroepsbeoefenaar. Sommige beroepsbeoefenaren zijn aangesloten bij beroepsorganisaties waar u met uw klacht terecht kunt.

Meer informatie:

NOAB: Tuchtcollege voor klachten
NOB: Tuchtcollege voor klachten
NBA: Accountantskamer

Afgeven signaal
Het BFT kan u niet helpen met uw individuele bezwaar. Daartoe bieden bovenstaande instanties diverse mogelijkheden. Bij BFT kunt u alleen een signaal afgeven over het functioneren van een Wwft-plichtige die valt onder het toezicht van het BFT. Het BFT kan uw signaal gebruiken in zijn toezicht.

Signaal afgeven: ► Contactformulier.

Go to Top