De identificatie, verificatie en vaststelling van de uiteindelijk belanghebbende moet plaatsvinden voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een transactie wordt uitgevoerd (artikel 4, eerste lid Wwft).

Een instelling kan ervoor kan kiezen om de identificatie van de cliënt of UBO tijdens het aangaan van de zakelijke relatie te voltooien om de normale zakelijke dienstverlening niet onnodig te verstoren. Voorwaarden hiervan zijn dat dit alleen mag in situaties met een laag risico en dat de identificatie zo snel mogelijk na het eerste contact wordt voltooid.

Anders dan voorheen het geval was zijn in de huidige Wwft geen specifieke typen cliënten aangewezen waarbij met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan worden volstaan. Een instelling zal steeds van geval tot geval voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of transactie moeten beoordelen of sprake is van een laag risico (artikel 6 Wwft). Wanneer sprake is van een bewezen laag risico kan volstaan worden met vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Hierbij moet een instelling in ieder geval rekening houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in ► bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn . In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven of levensverzekeringspolissen met een lage premie.